In deze nieuwe reeks willen wij onze talrijke beschermde gebouwen een voor een in de schijnwerper plaatsen.

Het leek ons gezien de actuele situatie gepast om het Oud Gemeentehuis aan het Wiezeplein als eerste beschermde monument te nemen.
Aan het Wiezeplein nrs 3-5 staat de herberg “’t Oud Gemeentehuis” en “Muzieklokaal”, voorheen “Het Wapen van den Heere”. Dit gebouw is beschermd als monument bij KB van 08.09.1981.
De herberg met vergaderzaal van de Vierschaar van de heerlijkheid Wieze - Aalst, werd volgens archiefdocumenten opgericht in 1783 door de heer van Wieze.
Volgens het kadasterarchief werd de herberg, eigendom van burggraaf de Clerque-Wissocq, erfgenaam van de heren van Wieze, in het jaar 1839 uitgebreid met de vijf rechter traveeën. Een fraai gesmeed ijzeren jaaranker boven de rechterdeur, voorheen op de rechter zijgeveltop, geeft dit bouwjaar ook weer.
 |
In 1847 werd het huis in twee woningen gedeeld. De herberg (links) deed dienst als gemeentehuis tot 1871 wanneer het gemeentehuis ondergebracht werd in het nieuwe schoolhuis aan de Nieuwstraat.
|
't Oud Gemeentehuis is een langgestrekt bakstenen gebouw ingeplant aan de oost-zijde van het rechthoekige Wiezeplein ten zuiden van de kerk.
Het gebouw telt dertien traveeën en een bouwlaag onder het mansardedak (in Vlaamse pannen).
Travee: is een vlak van een gevel dat door de gevelindeling als een eenheid wordt beschouwd.
't Oud Gemeentehuis bezit een verankerde, gecementeerde en witgeschilderde voorgevel op een lage zwartgeschilderde plint, bovenaan afgelijnd door een geprofileerde bepleisterde daklijst met hollijst. Geritmeerd door getoogde vensters met behou den schrijnwerk, toegevoegde arduinen dorpels en nieuwe luiken. Getoogde deuren in de eerste, zesde en dertiende travee; geblinde bovenlichten, in de zesde travee met opschrift “’t Oud gemeentehuis”, in de dertiende travee “Muzieklokaal”. Voor het bredere penant in de vierde travee bleef een vierkante arduinen roepsteen bewaard. Geknikte zijpuntgevels doorbroken door rechthoekige vensters.

Plint: Lage lijst onderlangs een muur of wand zowel binnen als buiten toegepast.
Hollijst: Een lijst of profiel die aan de zichtbare kant hol is.
Getoogd venster: een venster waarvan de bovenkant gebogen is in de vorm van een segmentboog. De bovenzijde heeft links en rechts een knik in de vorm van een stompe hoek.
Penant: is een gemetseld, uitspringend deel van een muurvlak ter versteviging van de muur of om het gewicht van een balk te dragen.
Roepsteen: is een zware, grote stenen blok die vroeger gebruikt werd om aan de bevolking belangrijke berichten mede te doen. Meestal gebeurde dit door de veldwachter, belleman of een gemeentebode.
De 3 vensters aan de Nieuwsraat behielden luiken. Gecementeerde achtergevel met getoogde deur en vensters, gestut door schuine steunberen bij het 18de eeuwse gedeelte, witgeschilderd op een gepikte plint en voorzien van rechthoekige muuropeningen in het 19de eeuwse deel.
Interieur: 18de eeuwse herberg met tochtportaal, bewaarde balkenlaag; wit en zwart geruite tegelvloer; kelder met tongewelf en stenen trap onder opkamer in de noordoosthoek. Nieuwe doorgang naar het 19de eeuwse gedeelte rechts met zaal, opkamer en kelder en steile zoldertrap. Bewaard dakgebinte.

Tongewelf: gewelf waarvan de dwarsdoorsnede een half-ronde cirkel of spitsboog is.
Opkamer: hoger dan andere kamers op dezelfde verdie-ping gelegen kamer, meestal is deze hogere ligging veroor-zaakt door een onderliggende halfverzonken kelder.
Bakstenen schuurtje onder pannen zadeldak op het achtererf, nu parking.
Bronnen: BOSMAN Remi en HEYVAERT Herman, De geschiedenis van Wieze, Wieze, 1990, p. 256.
DEVOS P., De gemeentehuizen van Oost-Vlaanderen, band 2, Gent, 1982, p. 548-550.
DE WIN P.- MOENS F., De “roepstenen” en “kerkpuien” in de provincie Oost-Vlaanderen, (Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, Nieuwe reeks, deel XLII, 1988, p. 55).
Het gemeentehuis van Denderbelle
Het voormalige gemeentehuis van Denderbelle werd als monument beschermd bij MB van 12 december 2002. Het ligt aan het Klein Gent nummers 2 en 4.
Pas tijdens het Frans Regime werd te Denderbelle een schepenbank geïnstalleerd. Voordien vormde Denderbelle namelijk één heerlijkheid Sint-Gillis en Zwijveke. Zoals gebruikelijk op het platteland deed eerst een kamer in een herberg dienst als vergaderruimte voor de gemeenteraad, hier in herberg "De dry Koningen", later ook bekend als "In het gemeentehuis". Het gemeentehuis werd opgericht in 1902 door de gemeente Denderbelle en herbergde aanvankelijk ook nog een woning met café (tot 1918). Volgens het bewaarde lastenboek tekende bouwkundige Clement Sterck uit Dendermonde het ontwerp. Als vrijstaand gebouw ingeplant op een hoekperceel aan het kruispunt van de as Dorp - Klein Gent met Kramwegel en Meerskant. Na de fusie met Lebbeke in 1977 verloor het gemeentehuis zijn bestemming. In 2001 opnieuw in gebruik genomen (zie herinneringsteen in de voorgevel).
Gevelrestauratie en interieurrenovatie met aanpassing van de indeling uitgevoerd naar plannen van 1999 van architect Hein Sacré uit Lebbeke. Sindsdien opnieuw met publieke functie voor huwelijksplechtigheden en tentoonstellingen in de vroegere raadzaal op de bovenverdieping; een tweede zaal voor tentoonstellingen bevindt zich op de begane grond en de zolder werd tot woning voor de conciërge ingericht.
 |
De gevelrestauratie gebeurde met veel zin voor authenticiteit. Bij de vernieuwing van het schrijnwerk werd de ruitvormige glas-in-loodverdeling gerecupereerd.
Glas in lood is de benaming voor een vensterraam bestaande uit stukken glas gevat in loodlijsten. |
In een eenvoudige uitvoering vormen de loodlijsten een rechthoekig raamwerk waarin stukken blank vensterglas gevat zijn. Glas in lood werd destijds gemaakt omdat een raam uit een stuk niet te maken viel. Glas in lood leent zich echter uitstekend voor kunstzinnige uitvoeringen, met kleurrijke voorstellingen.
 |
De oorspronkelijke gedenksteen met verguld opschrift vermeldt onder meer het bouwjaar 1902, de bouwmeester Cl. Sterck, de aannemer Ct. Van Langenhove evenals de namen van burgemeester, schepen, secretaris, raadsleden en oud secretaris. Deze steen bleef gelukkig bewaard. |
Stilistisch aansluitend bij het historiserend officieel gebouwentype in neostijl dat sinds de tweede helft van de 19de eeuw in vele centra op het platteland verscheen. Opgericht met een voorgevel in neo-Vlaamse-renaissancestijl en opgetrokken uit bak- en natuursteen.
Vlaams renaissance (vanaf 16de eeuw). Stijl die elementen uit de Italiaanse renaissance toepast op de traditionele bak- en zandsteenstijl. De neo-Vlaamse renaissance (ca 1860-1914) grijpt vanuit een nationalistische tendens terug naar de Vlaamse renaissance en haar specifieke ornamentiek. De stijl kenmerkt zich door een polychroom (veelkleurig) materiaalgebruik en een volumespel d.m.v. erkers, torentjes en trapgevels.
| Naar concept afwijkend van het gebruik om naar het voorbeeld van de oude schepenhuizen het gebouw uit te rusten met een pui of een anders monumentaal geaccentueerde centrale hoofdingang. De eigenlijke inkom is hier opgevat als een ondergeschikte aanbouw van één travee rechts opzij. |
 |
Travee: is een vlak van een gevel dat door de gevelindeling als een eenheid wordt beschouwd.
Deze deurtravee, met gevelsteen met opschrift "gemeentehuis" boven de rondbogige vleugeldeur, wijkt een weinig achteruit, is iets lager dan het hoofdgebouw en is afgedekt onder een vooraan afgewolfd lessenaarsdak.
Vleugeldeur is een deur die uit meer dan één openslaand stuk bestaat
Afgewolfd: Als het uiteinde van de nok van een dak is afgeschuind (schuin gemaakt).
Lessenaarsdak: Een lessenaarsdak is een hellend dak, dat uit maar uit één vlak bestaat, vergelijkbaar met een lessenaar.
Naar vorm leunt het gemeentehuis enigermate aan bij de statige burgerwoning met stedelijk karakter uit de late 19de eeuw. Hoofdvolume met een breedte van drie traveeën, afgedekt door een zadeldak tussen zijtrapgevels op schouderstukken.
Zadeldak: Dak met twee dakschilden die aan de bovenzijde bij de nok samenkomen. Zadeldaken zijn de meest voorkomende daken
Symmetrische gevel regeling nog benadrukt door het centraal uitspringend deurrisaliet met smalle rondboogdeur, een in natuursteen uitgewerkt balkon en tuitvormig (snavelvormig) dakvenster.
Risaliet: vooruitstekend deel van de voorgevel van een gebouw, dat over de gehele hoogte doorloopt.
Typerend gebruik van kruiskozijnen in hoge vensters waarbij de dorpels tot platte banden werden doorgetrokken. Evenwichtige verhouding van de gevel met verticaliserende accenten naast horizontaliserende sokkel met geprofileerde afzaat en ander lijstwerk. Monumentaal voorkomen door de toepassing van een opvallend hogere bovenverdieping met een rijkere gevelornamentiek dan de begane grond en een blinde bovenbouw.
Kruiskozijn: is een raamkozijn dat in vieren wordt gedeeld door een middenstijl (verticaal) en een tussendorpel (horizontaal), zowel in hout als natuursteen.

|
Kozijn: is een rand rond een raam of een deur.
Kruiskozijn: is een raamkozijn dat in vieren wordt gedeeld door een middenstijl (verticaal) en een tussendorpel (horizontaal), zowel in hout als natuursteen. Kozijn: is een rand rond een raam of een deur. |
Afzaat: is een hellend bovenvlak van een horizontale lijst. Bvb. van een dorpel onder een raam. De afzaat heeft een waterafvoerende functie.
Opmerkelijk zijn de verdiepte borstweringen met balusters; op de verdiepte rondboogvelden onder de ontlastingsbogen van de bovenvensters komen cartouches voor met vermelding van het bouwjaar:"ANNO / 1902". In het boogveld van het centrale deurvenster met balkon stelt een reliëf Sint-Martinus te paard voor die zijn mantel deelt, een verwijzing naar de patroonheilige van de parochie.
Opvallend dakvenster door zijn decoratieve afwerking onder meer met bolornament op schouderstukken en een hoog tuitstuk met bekroning op fronton. Nagenoeg blinde rechterzijgevel en sobere achtergevel zonder enige ornamentiek.
Baluster: Een veelal rijk gedecoreerde spijl van een borstwering of trapleuning. Een baluster bestaat uit een voet, een steel, een lijf of vaas en een hals of kapiteel.
Rondboog: halfcirkelvormige boog.
Ontlastingsboog: Boog gemetseld in een muur boven een raam of deuropening om het er bovenliggende metselwerk te dragen
Fronton: Driehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel, venster of ingang, naar klassieke trant.
Bronnen:
Gemeentearchief Lebbeke, Bouwdossier gemeentehuis Denderbelle.
BOVYN M., Denderbelle, Oudheidkundige Kring van het Land van Dendermonde, Gedenkschriften 3e Reeks, Deel XVIII, 1969, p. 61.
DE KIMPE F., De kronycken van de Heerlijkheid en de gemeente Denderbelle, Denderbelle, 2002, p.18-20, 106.
DEVOS P., De gemeentehuizen van Oost-Vlaanderen Band 2, Inventaris van het kunstpatrimonium van Oost-Vlaanderen XVII, Gent, 1982, p. 543-545.
Inventaris bouwkundig erfgoed, Provincie Oost-Vlaanderen, Gemeenten: Berlare, Buggenhout, Lebbeke, Waasmunster, Hamme en Zele, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 20N, (onuitgegeven). Auteurs: Chris Bogaert en Mieke Verbeeck |